
Quilvarens vleugel lag nog altijd over de brug.
Het tweede licht bewoog tussen de rotsen. Het eerste bleef naast de lege stoel. Toen schoof de stoel opnieuw schrapend naar achteren.
Mara vouwde de brief met het vleugelzegel open. Onder de waarschuwing van de landmeter was een nieuwe regel verschenen, zonder inkt in het papier gedrukt: De weg ligt beneden.
Onder de brug viel het maanlicht op een smal pad dat in de rivieroever was uitgehakt. Bij de ingang stond een zwart paard, de teugels los en een lantaarn aan het zadel. De sporen onder zijn hoeven liepen noordwaarts verder onder de boog.
‘Bridovar,’ zei Mara. In de atlas van de landmeter stond die naam naast routes die één keer waren overgestoken, maar nooit twee keer op dezelfde manier werden teruggevonden.
Het paard hief zijn hoofd. Een brede leren knoop op zijn borst hield een messing schijf vast, met dezelfde twee vleugels erin gestempeld als op de brief.
Quilvaren liet zijn vleugel zakken en wees met één klauw naar de rivieroever.
Ze volgden Bridovar naar beneden.
Onder de boog werden de lampen weerspiegelingen zonder vlammen. Elke lamp markeerde een afgesloten deur, genummerd in het handschrift van de landmeter. Bridovar liep er drie voorbij. Bij de vierde stampte hij één keer op de grond.
De messing schijf ging langs een verborgen naad open. Binnenin zat een smalle strook kaart. Mara legde die tegen de twee Morrowknot-helften. Eindelijk sloot de noordelijke weg aan; daarna liep hij door de afgesloten deur verder.
Achter hen schraapte de stoel voor de derde keer.
Aan de overkant zat nu iemand naast het koude vuur. De figuur stak een hand op en wees naar Bridovar.
Mara legde haar handpalm tegen de vierde deur. Warme lucht stroomde door het gesteente.
Bridovar stapte naar voren. De deur ging precies tot zijn schouderbreedte open en onthulde een dalende weg met een rij onverlichte lampen.
De eerste lamp vatte vlam.
Ver beneden antwoordde iets met het luiden van een klok.
